14

De volgende ochtend werd ik vóór zeven uur wakker. Zoals altijd had ik even nodig om me te oriënteren, om te bedenken dat ik niet in mijn appartement in New York was. Het bekende gevoel van schaamte hing over me heen als een zwaar dekbed; ik was ontslagen. Ik had mijn leven verpest. En ik loog iedereen voor. Ik kon niet nog een potje zelfbeschouwing aan – de sessie van gisteravond was al zwaar genoeg geweest – dus sprong ik uit bed in de hoop dat voorwaartse beweging mijn gedachten zou verbannen. Zelfs met een half nachtje slaap, was ik niet moe. Ik had mijn lichaam al lang geleden erop getraind om aan vier of vijf uur rust per nacht te wennen.

Ik haastte me naar de douche voordat pap de badkamer kon claimen met zijn kruiswoordpuzzel. Letterlijk in dezelfde seconde dat ik de kraan dichtdraaide, klopte mam op de deur. ‘Lieverd?’

‘Momentje,’ zei ik terwijl ik mijn handdoek als een tulband om mijn haar wikkelde.

‘Ik wilde even weten of je iets van de IKEA nodig hebt,’ zei mam.

‘Nee, dank je,’ zei ik terwijl ik mijn badjas aantrok.

‘Ik ga nieuwe kussens voor de patiomeubels halen,’ zei mam.

Als ik niet reageerde, zou ze het misschien doorkrijgen: ik praatte nooit zoveel voordat ik mijn ochtendkoffie binnen had.

‘Ze zijn in de aanbieding,’ riep pap door de deur.

Misschien ook niet.

‘Weet je dat je daar voor negenennegentig cent kunt ontbijten,’ ging mijn vader verder.

‘Niet vergeten te zeggen dat ze geen rode bessen op je pannenkoeken moeten doen,’ hielp mijn moeder hem herinneren. ‘Die vind je niet lekker.’

‘Zure knakkertjes,’ was pap het met haar eens.

Door het op mezelf wonen in mijn appartement was ik het totale gebrek aan privacy in dit huis vergeten. Niemand anders leek ernaar te verlangen. Alex liep zelfs altijd gewoon naar binnen als ik in bad lag en ging ongehaast haar make-up opdoen, totdat ik mijn vaders gereedschapskist te pakken kreeg en een slot op de deur had gemaakt.

‘Wat vind je van geelwit gestreepte kussens?’ vroeg mam aan pap terwijl ik lotion op mijn benen smeerde. Ze hadden niet de moeite genomen bij de deur weg te gaan.

‘Wat is er mis met marineblauw?’ vroeg pap.

‘Dat hebben we jaren gehad,’ zei mam. ‘Ik wil eens wat anders.’

‘Dus je wilt eens wat anders?’ gromde pap. ‘Wil je voor mij ook een ander?’

Allemachtig! Was dat een seksueel suggestieve toon in zijn stem?

‘Hank!’ giechelde mam.

Ik wilde er niet aan denken wat zich in de gang afspeelde, dus zette ik gauw de föhn aan en onderdrukte een rilling. Godzijdank waren ze tegen de tijd dat ik hem uitzette vertrokken, waarschijnlijk om de Zweden lastig te vallen.

Ik kleedde me snel aan, zette een pot koffie en ordende mijn gedachten tegelijk met mama’s rommella (bij alles wat heilig was, waarom zou iemand bonnetjes tot propjes verfrommelen als gebruikte zakdoekjes en niet-werkende pennen sparen in plaats van ze weg te gooien?). Ik zou eerst mijn advertenties bij May afgeven, besloot ik, terwijl ik de bonnetjes gladstreek en op datum legde voordat ik ze met een paperclip bij elkaar deed. Daarna zou ik naar een internetcafé gaan en aan het werk gaan. Volgende week maandag naderde snel en ik moest Givens & Associates nog researchen.

Ik veegde het aanrecht schoon, liep daarna naar de gang en toverde de sleutels van de reserveauto van mijn ouders tevoorschijn. Maar toen ik de deur achter me dicht wilde doen, bleef mijn hand op de deurknop hangen.

Gisteravond had ik er totaal anders uitgezien. Wat zou May denken als ze me nu zag? Ik keek in de gangspiegel. Mijn haar zat in een knotje, mijn oorbellen waren simpele parels en mijn kleding was ontzettend somber.

Zou May me zelfs wel herkennen?

Ik dacht aan hoe ze me gisteravond complimenteerde en hoe goed dat voelde. Hoe vernederend het zou zijn om haar twee keer te moeten zien kijken, toe te zien hoe haar ogen zich met verwarring vulden, om me in te denken dat ze zich afvroeg of het licht misschien gedimder was geweest dan ze dacht, of dat haar wijn sterker was geweest.

Zonder mezelf na te laten denken over wat ik deed, liep ik terug naar mijn slaapkamer. Ik zou twee minuten nodig hebben om me om te kleden, en dan nog tien voor het opmaken. Dit had niets te betekenen, zei ik tegen mezelf terwijl ik mijn pak uittrok en weer ophing. Ik zou meteen nadat ik bij May was geweest weer in mezelf veranderen.

Ik trok mijn nieuwe zwarte beha met bijpassende onderbroek aan, hees me in mijn Rock & Republic-spijkerbroek en zwarte coltrui. De coltrui zag er aan de voorkant eenvoudig en klassiek uit, wat het stuk blote huid aan de achterkant des te onverwachter maakte. En mijn spijkerbroek was niet veel wijder geworden sinds gisteren. Ik hurkte en wurmde en perste me erin. Ik zweette ervan. Positief puntje was dat als ik hem vaak genoeg droeg, ik nooit naar de sportschool zou hoeven. (Iets minder positief puntje was dat ik wel eens meerdere persoonlijkheden aan het ontwikkelen kon zijn. Maar hé, een van die persoonlijkheden was in elk geval mager!)

De MAC-vrouw had mijn make-up in glanzende zwarte tasjes gedaan die gevoerd waren met roze vloeipapier, allemaal zo prachtig ingepakt als verjaardagscadeaus. Ik vond haar instructies en begon in de tassen te graven, trok er concealer, oogschaduw en lipgloss uit en legde alles op het plankje boven de wasbak, als een chirurg die zich op een moeilijke operatie voorbereidde.

‘Oké,’ zei ik tegen mijn spiegelbeeld in de badkamerspiegel. ‘Daar gaan we.’

Ik had heus wel eerder make-up gedragen. Ik had matroze lippenstift die ik opdeed als ik eraan dacht, en soms, als ik heel erg donkere kringen had, groef ik diep in mijn medicijnkastje en vond mijn brokkelige oude concealer. Maar ik had nooit met make-up gespééld. Voor mij was het opdoen van lippenstift altijd ongeveer net zo sensueel geweest als het opdoen van deodorant. Ik had nooit op de achterkant van mijn hand foundation en een glinsterend gouden poeder gemengd en verschillende verhoudingen getest voordat ik besliste welke het mooist stond. Ik had nooit als satijn aanvoelende oogschaduw over mijn oogleden gestreken als een kunstenaar die de kleuren van een bloemblad inkleurde. Ik had nooit geweten dat make-up zo maakbaar en tastbaar en soepel kon zijn. Ik had nooit geweten dat het opdoen van make-up net zo leuk kon zijn als vingerverven.

Met mijn nieuwe lippenborstel draaide ik kleur van twee lipsticks en veegde dat lichtjes over mijn lippen. De visagiste had gelijk. Ik hád sterke lippen, dacht ik toen ik een stap naar achteren deed om ze in de spiegel te bekijken. Gek dat ik daar nooit eerder over na had gedacht. Ik trok met een zacht grijs potlood een lijntje langs mijn bovenste ooglid en smeerde het daarna uit met het puntje van mijn pink totdat het er rokerig uitzag, precies zoals de MAC-vrouw me had geïnstrueerd. Ik deed een laag mascara op, met het puntje van het borsteltje om klonten te voorkomen, en bracht daarna een dun laagje lichte lipgloss aan. Ik bestudeerde mijn gezicht in de spiegel en veegde nog wat meer van mijn rozenrode rouge op de appels van mijn wangen.

Oogschaduw vond ik het moeilijkst. Hoe was het mogelijk dat de MAC-vrouw drie verschillende tinten nodig had gehad om het eruit te laten zien alsof ik géén oogmake-up op had? Ik volgde haar instructies trouw op, deed Wedge in mijn oogplooien en liet ze glanzen met Brule, en na wat mengen met een borsteltje in de vorm van de kleinste spatel ter wereld, zagen mijn ogen er ongelooflijk zwoel uit. Als ik niet beter wist, zou ik geschokt zijn door mijn gedachten.

Ik testte het uit door me een recept voor pannenkoeken voor de geest te halen: nog steeds zwoel. Ik deed een paar snelle vermenigvuldigingssommen in mijn hoofd en dacht aan het weer: nog steeds zwoel. Make-up was iets wonderbaarlijks.

Ik maakte mijn haar los, borstelde mijn pony naar de zijkant en deed weer een stap achteruit. Verbazingwekkend. Ik herkende mezelf amper. In een paar minuten was ik compleet getransformeerd. Nu wist ik hoe Assepoester zich voelde met haar geheim. Waren het alleen de glazen muiltjes en de nieuwe jurk die haar mooi maakten, of was het iets anders, iets dat je niet uit een flesje kon halen of kon kopen? Want het voelde alsof er een totaal andere persoon in mijn huid was gekropen. Iemand die brutaler was en vaker lachte. Iemand die dezelfde gelaatstrekken had als ik maar die ik zelf niet eens herkende. Iemand wier tieten een hele maat groter waren (oké, technisch gezien kon je dat voor 39,99 dollar kopen bij Miracle Bra).

Ik rukte mezelf los van de spiegel en vouwde mijn pak en pumps in een lege winkeltas, met een paar tissues en het flesje make-up remover erbij dat ik bij de MAC-vrouw had gekocht. Toen pakte ik mijn sleutels weer en ging richting Mays huis.

May staarde naar de advertenties en zei: ‘Ze zijn echt super.’ Ze lagen als een pokerhand voor haar uitgespreid op de keukentafel.

‘Als je vrienden of familieleden hebt die voor je kunnen poseren, hoef je niet eens modellen in te huren,’ zei ik. ‘Dat bespaart je een hoop geld.’

‘Ik kan gewoon niet geloven dat je dit allemaal voor me doet,’ zei May. ‘Waarom ben je zo aardig?’

‘Het is niks,’ zei ik. ‘Ik doe dit soort dingen graag.’

De ketel floot en May stond op.

‘Ik wou dat ik iets voor jou kon doen,’ zei ze terwijl ze in haar gezellige gele keuken logge theemokken in aardetinten en een pot oranjebloesemhoning pakte. ‘Je hebt me gister geholpen en nu help je me ook nog met mijn bedrijf. Het voelt alsof je mijn geheime goede fee bent.’

Ze legde wat chocolate chip cookies op een schaal en ik nam een hap van een van de koekjes terwijl een sjofel hondje hoopvol naar me opkeek. Mmm. Zelfgemaakt, met stukjes kleverige karamel.

‘Deze koekjes zijn mijn beloning,’ zei ik. ‘Echt ongelooflijk lekker.’

‘Ik hou van bakken,’ zei May. ‘Vroeger droomde ik er altijd van om een bakkerij te beginnen.’

‘Waarom heb je dat niet gedaan?’ vroeg ik. Ik zag haar zo in een groot wit schort, haar krullende haar onder een kapje, pasteideeg rollen. Ze had die zorgende uitstraling.

‘Ik hou nog meer van uitslapen,’ zei ze, en ik moest lachen. ‘Ik ben niet iemand die om drie uur in de ochtend op kan staan om brood te bakken. Dus overlaad ik mijn vrienden maar met koekjes en taarten.’

‘Hoe ben je op het idee van je bedrijfje gekomen?’ vroeg ik.

‘Ik was erg eenzaam in mijn huwelijk,’ antwoordde ze.

Ze keek naar haar handen die ze om haar mok met thee had gevouwen, en daarna weer naar mij. ‘Ik zou je kunnen vertellen wat ik tegen de meeste mensen zeg, en dat is dat ik er een goeie markt in zag,’ zei ze. ‘Of ik kan je vertellen dat mijn huwelijk naar de haaien was en dat ik mezelf ergens op wilde storten voor de afleiding, wat een deel van de waarheid is. Maar de echte waarheid is dat ik diep ongelukkig was. Ik had het ontzettend nodig om te geloven dat ware liefde echt bestond. Al was het niet voor mij, dan maar voor anderen. Dit bedrijf starten was een daad van hoop voor mij. Elke dag zag ik mensen die een verschrikkelijke scheiding achter de rug hadden, mensen met gebroken harten, mensen die dachten nooit meer van iemand te kunnen houden… en ik híélp ze. Ik hielp ze beter over zichzelf te denken, ik hielp ze weer hoop te vinden en daarna hielp ik ze weer verliefd te worden. En uiteindelijk, toen ik genoeg hoop had verzameld, vroeg ik mijn scheiding aan.’

‘Wauw,’ zei ik.

Toen barstte ik in tranen uit.

May reageerde helemaal niet geschrokken en ongemakkelijk zoals mensen meestal doen als iemand moet huilen. Ze gaf me gewoon een servetje en legde haar hand op de mijne.

‘Sorry,’ zei ik en ik veegde mijn gezicht droog, ‘ik huil nooit.’

‘Des te meer reden om het eruit te gooien,’ zei May simpelweg.

‘O shit,’ zei ik toen ik het bevlekte servetje zag dat met een regenboog aan kleuren besmeurd was. ‘Ik was mijn make-up helemaal vergeten.’

Toen moest ik lachen terwijl ik daar zo zat in de keuken van een vrouw die ik nauwelijks kende, ik in mijn te strakke spijkerbroek en mijn collages die waren samengesteld uit hele oude huishoudtijdschriften van mijn moeder – ik, die nooit iets anders dan Donna Karan en Armani droeg en de leiding had over teams van artdirectors, fotografen en ontwerpers – en ik verloor mijn beheersing compleet. Ik lachte steeds harder, greep mijn buik vast en de tranen stroomden over mijn gezicht en ineens lachte May net zo hard met me mee.

En toen ik eindelijk was opgehouden met lachen en huilen, vertelde ik May alles.

‘Even alles op een rijtje,’ zei May een uur later.

De koekjes waren ondertussen op en ik vroeg me af of er een discrete manier was waarop ik de bovenste knoop van mijn spijkerbroek los kon doen.

‘Je denkt dat Bradley verliefd is op Alex,’ zei ze. ‘En je bent bang dat zij met hem flirt.’

‘Niet echt flirten,’ zei ik. ‘Gewoon zorgen dat hij voor haar valt.’

‘Maar ze is verloofd,’ merkte May op.

‘Dan heb je Alex nog niet gezien,’ zei ik. ‘Het maakt mannen niet uit of ze beschikbaar is. Ze worden evengoed verliefd op haar. Vrouwen ook. Wat Alex op de ene dag aan had naar de middelbare school, was wat alle andere meisjes de volgende dag droegen. Er stappen constant volslagen onbekenden op haar af om haar te vertellen hoe mooi ze is. Beestjes uit het bos en zangvogels huppelen om haar heen.’

Daar trok May een wenkbrauw bij op.

‘Nou, als ze ooit een bos in zou gaan, is dát wat er zou gebeuren,’ zei ik.

‘Maar jij bent ook mooi,’ zei May.

‘Ik haal het niet bij haar,’ zei ik. Ik vond de bitterheid die in mijn stem kroop verschrikkelijk; het gaf me zo’n klein gevoel. Alsof ik een jaloerse peuter was. ‘Ik draag meestal geen make-up en zo. Ik weet niet eens waarom ik dit heb gekocht. Het past niet bij me.’

‘En rommelen met die gozer – Doug, heette hij toch? – dat is ook niet wie jij bent?’ vroeg May. Ze krabde achter de oren van een zwarte labrador die de keuken in was komen wandelen. Hoeveel honden had ze eigenlijk, vroeg ik me afwezig af.

‘Absolúút niet wie ik ben,’ zei ik nadrukkelijk.

‘Wat is er dan gebeurd?’ vroeg May.

Ik liet mijn hoofd in mijn handen zakken terwijl haar vraag door de keuken leek te weergalmen. Hij kaatste tegen de muren terug en kwam weer voor me hangen. Wat wás er gebeurd? Waarom had ik met een gozer gerommeld die ik niet eens mocht? Waarom had ik mijn baan in New York gesaboteerd? En waarom had ik, toen mijn leven eenmaal weer terug op de rails leek te komen, als een gek lopen shoppen en kleren gekocht die niet in mijn nieuwe leven pasten? En dan nog die belachelijke angstaanval bij Givens & Associates, die me liet hijgen en beven in de damestoiletten.

Ik dacht dat terug naar huis gaan me zou gronden. Dus waar kwamen deze vreemde nieuwe gevoelens vandaan? Waarom had ik mezelf gisternacht in slaap gehuild terwijl ik nooit van mijn leven huilde?

May wachtte geduldig terwijl de gedachten door mijn hoofd raasden, tegen elkaar botsten, files veroorzaakten, naar elkaar toeterden en hun middelvinger opstaken. Ze zat daar aan haar eenvoudige houten keukentafel tussen de knusse rotzooi van een kookboek dat geopend lag op een recept van pompoensoep, stapels kranten en tijdschriften en de logge theemokken die ze maar bleef bijvullen met Red Zinger. Alles in haar huis leek zo naadloos bij elkaar te passen als de stukjes van een puzzel: haar chenille bank en de oude labrador die er nu op zijn gemak op was gaan liggen; de takjes gedroogde lavendel om haar keukendeur; de stapel paperbacks op haar salontafel; de rekken met kruiden in kleine steenkleurige potjes bij haar fornuis. Dit was een vrouw die van koken hield, graag thuis was en op comfort gesteld was. Het was duidelijk wie May was en waar ze voor stond.

Ik was tot een paar weken geleden ook zo geweest. Ik had glashelder geweten wat ik met mijn leven wilde. Maar nu voelde ik me als een wanordelijke verzameling losse eindjes en scherpe randjes.

‘Ik heb geen idee wat er is gebeurd,’ zei ik uiteindelijk.

‘Maar je familie denkt dat je nog steeds voor het reclamebureau werkt,’ zei May.

Ik knikte ellendig.

‘Dat is een grote druk voor je,’ zei May. ‘Je wilt ze niet teleurstellen.’

‘Dat is het niet alleen,’ zei ik.

May was zo genadeloos eerlijk tegen me geweest en nu was ik haar dezelfde eerlijkheid verschuldigd. Of misschien was ik het mezelf verschuldigd.

‘Het is ook zo dat ik het fijn vind om de slimme dochter te zijn. Ik vind het fijn als pap en mam me om advies vragen over dingen. Ik vind het fijn om me bekwaam en succesvol te voelen. Ik vind het fijn’ – en hier ging ik zachter praten – ‘om het gevoel te hebben dat ik slimmer ben dan Alex.’

‘Natuurlijk,’ zei May, ‘wie niet?’

‘En dat sollicitatiegesprek waar ik je over vertelde?’ zei ik. ‘Om de een of andere reden word ik bang als ik eraan denk. Als ik nadenk over terug in dat wereldje duiken en constant werken, dan…’

Ik moest naar lucht happen, ik kon de zin zelfs niet afmaken.

Ik dwong mezelf om door te gaan. ‘Dit is de eerste keer in mijn leven dat ik een pauze neem en nu lijkt het wel alsof alle twijfels en angsten binnenstromen. Ik doe dingen die ik dacht in geen duizend jaar te zullen doen. Ik heb gister driehonderd dollar aan make-up uitgegeven en ik draag helemaal nooit make-up. Nooit. Jezus, wat is er met me aan de hand?’

‘Volgens mij is er helemaal niks met je aan de hand,’ zei May. Ze stond op, vulde onze theemokken nog maar een keer en ging weer zitten. ‘Mag ik zeggen wat ik gisteravond zag?’

Ik knikte.

‘Ik zag een zelfverzekerde, slimme en aardige vrouw,’ zei ze. ‘Eerst joeg je mijn ex-man weg. Toen nodigde je me uit voor een glas wijn omdat je zag dat ik van streek was. Hoeveel andere mensen zouden zoiets doen voor een onbekende? En hoe je de bar bespeelde. Je nam een groep lawaaiige mensen en je kreeg het voor elkaar hun aandacht te krijgen en ze over je vragen te laten nadenken. Je was… adembenemend.’

Ik zat daar te stralen in de gloed van dat woord.

‘Maar dat was ík niet,’ zei ik uiteindelijk. ‘Dat is het nou juist. Ik doe dat soort dingen niet.’

May keek naar me en glimlachte. ‘Nou, wie het ook was, ik mocht haar,’ zei ze vriendelijk.

Ik staarde haar aan. Ik was zo overrompeld dat ik niet kon reageren. Ik had er niet over nagedacht of de dingen die ik had gedaan goed of slecht waren. Nou ja, behalve de bijna-seks op de vergadertafel dan. Ik wist vrij zeker dat dat in de stoute categorie viel. Ik had me alleen maar geconcentreerd op het feit dat al die dingen die ik gedaan had niets voor mij waren.

Mays telefoon ging.

‘O nee,’ zei ze tegen me en ze hield haar vinger op. ‘Wacht even.’

‘Blind Dates. Ja, we nemen nieuwe klanten aan. Fijn dat u belt,’ zei ze. ‘Kan ik even snel wat gegevens noteren en u straks terugbellen?’

May pakte de pen en het notitieblok die naast de telefoon lagen en krabbelde wat neer terwijl ze meelevende geluiden maakte: ‘Hm-mm. Och hemel, wat verschrikkelijk. Nee, maakt u zich maar geen zorgen. Dat komt voor elkaar.’

Ik veegde weer met mijn servet over mijn gezicht om te proberen de laatste restjes make-up er ook af te krijgen. Zou het heel erg zijn als ik de kruimeltjes van de koekjesschaal at, vroeg ik me af. Ach, wat zou het. Mijn waardigheid was toch al naar de maan.

‘Sorry,’ zei May toen ze had opgehangen, ‘maar het bracht me wel op een idee.’

Ik haalde mijn wijsvinger uit mijn mond en keek naar haar.

‘Jane Swenson, achtendertig jaar, twee jaar geleden gescheiden,’ las ze van haar aantekeningen op. ‘Ze is er weer klaar voor om te gaan daten. Wil jij haar interviewen?’

‘Ik?’ vroeg ik.

‘En als je wilt, kun je haar daarna koppelen aan een van de andere klanten,’ zei May. ‘We kunnen samen de dossiers bekijken en bepalen wie het beste bij haar past. En als je dat leuk vindt, bied ik je daarna graag een baan aan.’

Ik staarde haar aan. ‘Meen je dat?’

‘Ik kan wel wat hulp gebruiken,’ zei May. ‘Zeker nu ik die advertenties heb. Ik heb het gevoel dat ik een heleboel nieuwe klanten ga krijgen. En misschien helpt het jou ook. Misschien kun je wat tijd gebruiken om erachter te komen wat je echt wilt. Je kunt zo lang bij me werken als je wilt en als je besluit die andere baan te nemen, kun je vertrekken wanneer je maar wilt. Je zit er niet aan vast.’

Hier werken? Met May?

Ik dacht aan mevrouw Givens achter haar hypermoderne bureau en keek toen naar May. Ze had een chocoladevlek op haar rechterwang. Ze regelde haar zaken aan de keukentafel in plaats van in een kantoor in Hongkong. Ze liep blootsvoets door het huis en vond het doodgewoon om midden op een werkdag twee uur lang met mij te kletsen. Haar leven was het tegenovergestelde van dat van mij. Hoe kon ik voor haar werken? Hoe kon ik zo’n vreemde, onverwachte richting op dwalen?

May moest mijn aarzeling hebben aangevoeld.

‘Denk er maar over na,’ spoorde ze me aan. ‘En als je besluit het niet te doen, hoop ik dat we evengoed vrienden kunnen blijven.’

May bood me een baan aan zonder mijn referenties na te gaan. Ze had niet eens een salaris genoemd. Had ze enig idee wat ik bij mijn laatste baas verdiende? Ze zou me op geen enkele manier kunnen betalen wat ook maar enigszins in de buurt kwam van wat ik gewend was te verdienen. Dit was allemaal heel leuk en aardig, in haar keuken zitten, thee met honing drinken en kletsen, maar het was niet het echte leven. Het was niet míjn leven.

Ik probeerde te bedenken hoe ik haar voorzichtig kon afwijzen zonder haar te kwetsen, toen mijn mobiele telefoon trilde. Ik keek op het scherm en zag een onbekend lokaal nummer.

‘Ga je gang,’ zei May. ‘Ik neem ook steeds mijn telefoon aan als ik met jou in gesprek ben.’

‘Waarschijnlijk gewoon een telemarketeer,’ zei ik. ‘Ik poeier hem wel af.’

Het was geen telemarketeer.

Mijn hart begon sneller te kloppen toen ik Bradleys stem hoorde.

‘Hoi,’ zei ik.

‘Ik belde naar jullie huis en je moeder gaf me dit nummer,’ zei hij. ‘Ik vroeg me af of je vanavond nog naar de film wilde.’

‘Natuurlijk,’ zei ik. Jezus, waarom kon ik niet iets gevats bedenken om te zeggen?

‘Zal ik je rond acht uur oppikken?’ vroeg hij.

‘Prima!’ zei ik. Gevat en charmant, Helena van Troje was er niets bij.

‘Oeps, ik word net opgepiept door mijn redacteur,’ zei Bradley. ‘Ik moet rennen. Zie je dan.’

‘Laat me raden,’ zei May toen ik mijn telefoon wegdeed. ‘Dat was hem.’

‘Ja,’ zei ik. Ik kon niet stoppen met glimlachen. ‘Ik zie hem vanavond.’

‘Goed zo,’ zei May. ‘Dus hij is de ware?’

‘Dat zou heel goed kunnen,’ zei ik.

‘Ik heb maar één advies voor je,’ zei May. ‘Maak je niet te veel zorgen over je zus. Ik vind jou ook behoorlijk spectaculair. En vergeet niet over mijn aanbod na te denken. Weet je wat? Als je het interview doet en iemand voor die klant vindt, betaal ik je driehonderd dollar. Bekijk het maar zo: dat dekt de kosten van je make-up, dan hoef je je daar niet meer schuldig over te voelen.’

‘Oké,’ stemde ik uiteindelijk in omdat ik haar niet wilde kwetsen. ‘Ik zal erover nadenken.’

De rest van de dag werkte ik in een café totdat ik rond vier uur mijn laptop inpakte zodat ik de tijd had om me klaar te maken voor mijn avondje uit met Bradley. Ik had niet veel kunnen doen. Herinneringen aan Bradley schoten maar door mijn hoofd terwijl ik van mijn latte dronk en dromerig voor me uit glimlachte. Ik leek vast net zo’n sukkel uit een koffiereclame (even een momentje voor jezelf) maar ik kon er niets aan doen. Ik zou Bradley vanavond zien en ik kon aan niets anders denken.

Er was één herinnering in het bijzonder die steeds bovenkwam. Het was de zomer voordat we allebei naar de universiteit gingen – ik naar Princeton, Bradley naar Uconn – en hij had net een tweedehands Oldsmobile Cutlass Supreme cabriolet gekocht met een bumper die er nog net aanhing en een knaldemper die niet dempte. Hij kwam met het dak naar beneden en een volle tank bij mijn huis aangereden op een drukkende avond in augustus toen we achttien waren en alles nog mogelijk leek.

‘Superauto!’ zei ik toen ik het huis uit rende voordat hij de kans kreeg om aan te bellen. Ik had op hem staan wachten van achter het woonkamerraam.

Tegen die tijd had ik tientallen trucjes om Bradley bij Alex weg te houden. Als ze thuis was, deed ik soms alsof ik net iets uit de auto van mijn ouders pakte als hij aankwam, zodat ik hem buiten kon onderscheppen voordat hij ook maar een voet in huis zette. Een andere keer stond ik met mijn jas aan en mijn tas in mijn hand bij de deur te wachten, riep een afscheidsgroet over mijn schouder en zei tegen Bradley dat ik bang was dat we te laat zouden komen. Dat smoesje ging niet altijd op als we bijvoorbeeld in de bibliotheek gingen studeren, maar vanwege mijn neurotische aard, zocht niemand er ooit iets achter.

Was ik paranoïde? Misschien wel. Maar zoals Bradley naar me staarde als hij dacht dat ik niet keek… nou, dat was hoe alle andere mensen altijd naar Alex staarden. Misschien had ik erop moeten vertrouwen dat Bradleys gevoelens voor mij niet als sneeuw voor de zon zouden verdwijnen als hij Alex door het huis zag lopen, haar haren vochtig en zwaar van de douche, haar ogen staalblauw bij haar zomertint. Maar tegen die tijd had ik er genoeg van. Dat was het jaar dat Alex de koningin van het schoolbal werd; het jaar dat ze op één avond in drie lokale televisiecommercials te zien was, waardoor onze opgewonden buren ons met telefoontjes bestookten; het jaar dat ze naar New York vloog voor een paginagrote foto in Seventeen (is het verkeerd van me om te vertellen dat een gestoorde artdirector haar als herderin aankleedde en liet poseren met een kudde stinkende, scheten latende schapen?).

Alex en Bradley hadden elkaar heus wel op school gezien. Maar op school werkten andere mensen tenminste nog als buffer. Alex was altijd omgeven door een menigte. Ze hadden wel eens hetzelfde vak gevolgd, maar ze hadden nooit tijd met z’n tweeën alleen doorgebracht, nooit iets anders tegen elkaar gezegd dan een korte begroeting als ze elkaar in de gangen tegenkwamen. Ik wilde dat zo houden.

Dus sprong ik in Bradleys auto en reden we vlak voor zonsondergang weg. We waren zo bij elkaar op ons gemak dat we amper spraken, we wilden zelfs tegelijk een andere radiozender opzetten toen het nummer ‘Louie Louie’ begon. We moesten allebei lachen toen onze vingers elkaar bij de afstemknop van de radio raakten.

We reden een tijdje om onze woonplaats heen en stopten bij een avondwinkel om kersenslush te kopen voordat Bradley richting onze middelbare school reed.

Op de een of andere manier had ik geweten dat we daar die avond terecht zouden komen.

Ik popelde aan mijn nieuwe leven te beginnen – eerst een bachelor en daarna een master, gevolgd door een fantastische baan met een groot, sterk, aantrekkelijk pensioenplan – maar toen ik die avond omhoogstaarde naar dat oude gebouw van rode bakstenen en het bord op het gazon waarop GEFELICITEERD GESLAAGDEN! stond, kreeg ik een brok in mijn keel. De middelbare school was niet de leukste tijd van mijn leven geweest, maar ook niet verschrikkelijk.

‘Kom op,’ zei Bradley. Hij sprong uit de auto, rende naar mijn kant en pakte mijn hand vast.

‘Wat gaan we doen?’ vroeg ik terwijl ik mijn hand slap liet worden en uit de zijne liet glijden.

Hoe vaak had ik dat soort dingen wel niet gedaan? Bradley pushte nooit, maar hij had me tientallen keren laten zien dat hij meer van me wilde dan vriendschap. Hij liet zijn arm op de armleuning tussen ons in liggen tijdens een film zodat ik erin kon knijpen tijdens de enge scènes. Dat deed ik nooit. Bij de afscheidsknuffel ’s avonds hield hij altijd zijn gezicht naar me toe gekeerd en ik wist dat hij hoopte dat ik hem zou kussen. Maar ik liet hem altijd los. Ik was dol op Bradley, maar hij was als een broer voor me. Als ik hem zou zoenen, barstte ik vast in lachen uit, wat niet bevorderlijk zou zijn voor zijn ego en voor onze vriendschap. Dus liet ik het maar zo en Bradley, goeie ouwe Bradley, dwong me nooit tot meer.

‘Zie je dat platte dak daar?’ vroeg Bradley en hij wees naar onze school.

Ik knikte.

‘Daar gaan we heen,’ zei hij.

‘Daarop? Echt?’ vroeg ik. ‘Krijgen we daar geen problemen mee?’

‘Wat kunnen ze doen?’ vroeg Bradley. ‘Ons schorsen?’

‘We komen daar met geen mogelijkheid zonder ladder op,’ zei ik. (Eigenlijk zei ik ook nog iets ontzettend onnozels als: ‘Ze kunnen ons onze diploma’s afnemen!’ Maar het is míjn herinnering, dus ik mag die aanpassen waar ik dat nodig vind.)

‘Je hebt gelijk,’ zei Bradley. ‘Zullen we dan maar een rondje om de school lopen, uit nostalgie?’

‘Is goed,’ zei ik en we gingen een hoek om, waar ik bijna tegen een grote, glanzende ladder aanliep die tegen de muur stond.

‘Kijk nou,’ zei Bradley, terwijl hij hem vastpakte en zijn voet op de eerste sport zette.

‘Bradley!’ siste ik en ik keek om me heen. ‘Had je die hier al neergezet?’

‘Wie, ik?’ vroeg hij en hij beklom de ladder nog wat verder. ‘Hij lijkt me wel stevig. Weet je zeker dat je niet mee komt?’

‘Je spoort niet,’ siste ik. Ik keek weer om me heen ook al stonden de eerste huizen een paar honderd meter verderop.

Eigenlijk, aangezien een van onze klasgenoten was opgepakt omdat hij auto’s zonder sleutel startte, eentje bijna het loodje had gelegd in de toiletten van de school door een overdosis lsd en een paar anderen in zwangerschapskleding naar de diploma-uitreiking moesten, was het niet de flamboyantste rebelse tienerdaad ooit. Toch, tot dat moment was de enige opschudding die ik had veroorzaakt geweest toen ik een vijf voor een kansberekeningexamen kreeg (en om eerlijk te zijn bestond die opschudding alleen in mijn eigen hoofd. Mam vroeg die dag zelfs of ik een van haar valiumpillen wilde).

‘Kom je?’ vroeg Bradley toen hij boven aan de ladder was gekomen en op het dak klom.

Ik zette een voet op de eerste sport.

‘Ik heb een hekel aan hoogtes,’ jammerde ik.

‘Gewoon niet naar beneden kijken,’ spoorde Bradley me aan.

Ik zette mijn andere voet op de volgende sport.

‘Mijn schoenen voelen heel glad,’ zei ik. ‘Ze zijn misschien vochtig van het gras.’

‘Je glijdt er niet af,’ zei Bradley.

Nog een stap.

‘Heb je deze ladder speciaal voor vanavond gekocht?’ vroeg ik.

‘Ik heb hem gestolen,’ antwoordde Bradley.

Mijn mond viel open.

‘Grapje,’ zei hij. ‘Kom, je bent er bijna.’

‘Ik ben uit een boom gevallen toen ik zes was,’ zei ik. ‘Hersenschudding. Nou ja, bijna dan.’

‘Viel je bijna uit de boom of had je bijna een hersenschudding?’ vroeg Bradley.

‘Allebei.’

‘Nog maar twee,’ probeerde Bradley me te overreden. ‘Blijf naar mij kijken.’

Toen stak hij zijn dunne armen naar me uit en trok me veilig naar zich toe.

‘Dank je,’ zei ik en ik stapte weg uit zijn omhelzing en deed alsof hij me alleen maar omhoog had geholpen. Ik deed ook alsof ik de gekwetste uitdrukking die over zijn gezicht trok niet zag.

‘O, Bradley,’ zuchtte ik even later, terwijl ik een rondje draaide. Ik had onze school nooit zo gezien. Aan één kant strekte zich de enorme groene rechthoek van ons football-veld uit, geflankeerd door rijen en rijen lege tribunes. Het leek majestueus, maar aan de andere kant ook een beetje droevig. Aangrenzend aan de school was de kleine garage van waaruit meneer Carey rijlessen gaf. Ik draaide me snel om naar de reusachtige eikenboom in de hoek van het gazon. Dat was mijn lievelingsplek geweest om neer te strijken met een schoolboek en mijn van huis meegenomen boterhammen, weg van de lawaaiige tafel midden in de kantine waar Alex hof hield. Vanaf hier gezien leek het allemaal een enorm schilderij.

‘Heb je trek?’ vroeg Bradley en hij vouwde een roodgeblokt tafelkleed open en spreidde het uit op het dak. Ik draaide me om en zag de picknickmand staan die hij daar eerder die dag neergezet moest hebben. Hij zat vol met stokbrood en brie, aardbeien en repen pure chocolade. Al mijn lievelingsdingen.

‘Bradley!’ gilde ik.

Hij trok een fles cider met bubbels open en glimlachte. Hij had er zelfs aan gedacht om twee plastic glazen mee te nemen. Hij had overal aan gedacht.

We zaten uren op dat dak, lang nadat de zon was ondergegaan en de krekels begonnen te tjirpen. Ik denk dat we allebei wisten dat het de laatste keer was dat we samen waren voordat we gingen studeren. Ik had me nooit hechter met hem gevoeld. Terwijl ik toekeek hoe Bradley nog een plak brie voor me afsneed, zag ik het witte litteken op zijn duim van toen hij op zijn elfde met zijn fiets was gevallen. We maakten grapjes over de irritante football-speler in onze klas die net een gepersonaliseerd nummerbord had gekocht met TGHTEND erop en Bradleys wenkbrauwen kwamen in het midden omhoog toen hij lachte, zoals ze altijd deden. We praatten zelfs over zijn moeder, die in oktober van het jaar daarvoor na een lange strijd tegen borstkanker was overleden.

‘Ik denk elke dag aan haar,’ zei Bradley. Hij draaide zijn hoofd een stukje weg, maar ik had de tranen die in zijn ogen glinsterden al gezien. ‘Ik denk dat dat altijd zo zal blijven.’

‘Weet je nog die keer dat ze een feestje voor je halve verjaardag gaf?’ vroeg ik. ‘Ze had een halve taart voor je gebakken.’

‘Ze zong ook “Er is er een half jarig” voor me,’ herinnerde Bradley zich met een glimlach.

‘Ze was zo’n goede moeder,’ zei ik. We hadden door de jaren heen veel tijd bij Bradley thuis doorgebracht en ze had me altijd het gevoel gegeven dat ik welkom was. ‘Ik mis haar ook.’

We zwegen een tijdje en keken in de duisternis, toen sloeg Bradley een arm om me heen en trok me naar zich toe. Hij had dit zo gepland, realiseerde ik me opeens: de ladder, de picknick met mijn lievelingssnacks, het dak in de schemering. Hij probeerde me te versieren. Dit was Bradleys equivalent van een wanhoopsworp tijdens de laatste minuten van de wedstrijd; het was zijn laatste, brutale aanval voordat onze wegen naar verschillende universiteiten leidden.

Ik sloot mijn ogen vlak voordat zijn lippen de mijne raakten. Ze waren zacht en teder, maar ik voelde niets. Geen heerlijke kriebels in mijn buik, geen verlangen om mijn armen om hem heen te slaan en hem dichter tegen me aan te trekken. Niets. Ik had met evenveel passie mijn hoofdkussen kunnen zoenen.

Na een tijdje trok ik mijn hoofd terug. Het leek vriendelijker om hier snel een einde aan te maken.

‘Sorry,’ zei ik voorzichtig. Ik hield wel van hem, maar niet zoals hij wilde.

‘Ik kan niet…’ begon ik.

‘Geeft niet,’ zei Bradley bruusk. Zijn wangen waren rood en hij keerde zich van me af.

O, Bradley, dacht ik terwijl ik naar zijn smalle rug staarde. Ik wilde hem zo graag knuffelen, maar ik wist dat dat alles alleen maar erger zou maken. Nadat we een paar minuten in drukkende stilte hadden gezeten, stond hij op en stak zijn hand uit om me omhoog te helpen. Ook al had ik hem vreselijk gekwetst, hij bleef een heer.

‘Het wordt laat,’ zei hij. Het was amper halftien geweest.

Toen we het dak van onze school weer af waren geklommen, was er iets onverbiddelijk veranderd tussen ons, en we wisten dat allebei. Ik kletste te veel onderweg naar huis omdat ik probeerde over wat er gebeurd was heen te praten. Als we ons normaal gedroegen, konden we de zoen op het dak veranderen in een vriendschappelijke kus. We konden vergeten dat het was gebeurd en op dezelfde voet verdergaan.

Maar Bradley speelde het spelletje niet mee.

Toen we voor mijn huis stopten, zei hij: ‘Tot later.’ Hij keek me nog steeds niet aan. Ik kon zijn pijn zien; het was een tastbare kracht die in de auto tussen ons in stond. Het weerhield mij ervan om hem een knuffel te geven zoals ik normaal gesproken aan het einde van de avond deed.

‘Ik bel je morgen,’ zei ik. ‘Oké?’

‘Goed hoor,’ zei hij.

Ik stond hem nog lang nadat hij was weggereden na te kijken in het donker. Bradley was de beste jongen die ik ooit had gekend.

Dus waarom kon ik zijn gevoelens niet beantwoorden?

Was mijn zus maar niet zo mooi en ik wat minder slim
titlepage.xhtml
Was mijn zus maar niet zo mooi en ik wat minder slim_split_000.xhtml
Was mijn zus maar niet zo mooi en ik wat minder slim_split_001.xhtml
Was mijn zus maar niet zo mooi en ik wat minder slim_split_002.xhtml
Was mijn zus maar niet zo mooi en ik wat minder slim_split_003.xhtml
Was mijn zus maar niet zo mooi en ik wat minder slim_split_004.xhtml
Was mijn zus maar niet zo mooi en ik wat minder slim_split_005.xhtml
Was mijn zus maar niet zo mooi en ik wat minder slim_split_006.xhtml
Was mijn zus maar niet zo mooi en ik wat minder slim_split_007.xhtml
Was mijn zus maar niet zo mooi en ik wat minder slim_split_008.xhtml
Was mijn zus maar niet zo mooi en ik wat minder slim_split_009.xhtml
Was mijn zus maar niet zo mooi en ik wat minder slim_split_010.xhtml
Was mijn zus maar niet zo mooi en ik wat minder slim_split_011.xhtml
Was mijn zus maar niet zo mooi en ik wat minder slim_split_012.xhtml
Was mijn zus maar niet zo mooi en ik wat minder slim_split_013.xhtml
Was mijn zus maar niet zo mooi en ik wat minder slim_split_014.xhtml
Was mijn zus maar niet zo mooi en ik wat minder slim_split_015.xhtml
Was mijn zus maar niet zo mooi en ik wat minder slim_split_016.xhtml
Was mijn zus maar niet zo mooi en ik wat minder slim_split_017.xhtml
Was mijn zus maar niet zo mooi en ik wat minder slim_split_018.xhtml
Was mijn zus maar niet zo mooi en ik wat minder slim_split_019.xhtml
Was mijn zus maar niet zo mooi en ik wat minder slim_split_020.xhtml
Was mijn zus maar niet zo mooi en ik wat minder slim_split_021.xhtml
Was mijn zus maar niet zo mooi en ik wat minder slim_split_022.xhtml
Was mijn zus maar niet zo mooi en ik wat minder slim_split_023.xhtml
Was mijn zus maar niet zo mooi en ik wat minder slim_split_024.xhtml
Was mijn zus maar niet zo mooi en ik wat minder slim_split_025.xhtml
Was mijn zus maar niet zo mooi en ik wat minder slim_split_026.xhtml
Was mijn zus maar niet zo mooi en ik wat minder slim_split_027.xhtml
Was mijn zus maar niet zo mooi en ik wat minder slim_split_028.xhtml
Was mijn zus maar niet zo mooi en ik wat minder slim_split_029.xhtml
Was mijn zus maar niet zo mooi en ik wat minder slim_split_030.xhtml
Was mijn zus maar niet zo mooi en ik wat minder slim_split_031.xhtml
Was mijn zus maar niet zo mooi en ik wat minder slim_split_032.xhtml
Was mijn zus maar niet zo mooi en ik wat minder slim_split_033.xhtml
Was mijn zus maar niet zo mooi en ik wat minder slim_split_034.xhtml
Was mijn zus maar niet zo mooi en ik wat minder slim_split_035.xhtml
Was mijn zus maar niet zo mooi en ik wat minder slim_split_036.xhtml
Was mijn zus maar niet zo mooi en ik wat minder slim_split_037.xhtml
Was mijn zus maar niet zo mooi en ik wat minder slim_split_038.xhtml
Was mijn zus maar niet zo mooi en ik wat minder slim_split_039.xhtml
Was mijn zus maar niet zo mooi en ik wat minder slim_split_040.xhtml